Soms ben je zo druk met beter worden, dat je vergeet te leven.
Dat overkwam mij. Niet lang na mijn diagnose sarcoïdose kwam ik terecht in een revalidatiecentrum. Mijn hele linkerkant was uitgevallen. Wat volgde was een strak regime van fysiotherapie, dagschema’s, diëten en een mix van reguliere en complementaire behandelingen. Uiteindelijk ontstond er een soort evenwicht: ik zat officieel in een rustiger fase. Ik werd afgekeurd en belandde definitief in de kaartenbak chronisch. Met medicijnen en drie keer per week fysiotherapie leek alles onder controle. De artsen waren tevreden. Vrienden en familie ook.
‘Kijk eens hoe goed je dit doet.’
‘Jij kan dit, jij bent een doorzetter.’
‘Als iemand het aankan, ben jij het wel.’
En ik? Ik was doodongelukkig.
Jarenlang stond alles in het teken van beter worden. Keihard werken, doorzetten, volhouden. Ik was vergeten te leven, te genieten. Beter worden was het doel. Alles moest daarvoor wijken. En dat deed het ook. Tot mijn beste vriend overleed. Hij leefde niet meer, ik wel. Ik realiseerde me dat ik elke dag keihard aan het werk was, terwijl het leven ondertussen doorging. Of beter gezegd: voorbijging. Dat ik aan het óverleven was in plaats van te leven. Zijn overlijden zorgde voor een ommekeer.
Pas toen ik stopte met vechten kwam er ruimte
Ik zocht hulp. En ik ging, weer, aan het werk. Niet om nóg beter mijn best te doen, maar door het tegenovergestelde te doen. Stoppen met vechten. Vertragen. En dat bleek misschien wel het moeilijkste wat ik ooit heb gedaan. Stil worden. Laag voor laag afpellen wat me dreef en wat me tegenhield. Onder ogen zien dat ik mijn ziekte heb, maar niet bén. Dat alles wat mij mij maakt — mijn ervaring, mijn talenten, mijn kracht — er nog steeds is. Alleen anders.
Het proces is allesbehalve comfortabel. ‘Een cadeau verpakt in prikkeldraad’, zoals spreker en coach Greet Vonk het zo treffend noemt. En dat is precies wat het is. De vraag is alleen: durf je het uit te pakken? Bij mij was er geen keuze. Mijn lichaam dwong me.
Pas toen ik stopte met vechten kwam er ruimte. Niet langer mijn ‘beste’ leven vanuit mijn hoofd, maar mijn meest eerlijke leven vanuit mijn hart. Hoe meer je in verbinding met jezelf komt, hoe krachtiger je in het leven komt te staan. Minder wilskracht, meer verbinding. Niet meer doorzetten van buitenaf, maar veerkracht van binnenuit. Minder moeten, meer mogen. En laat ik eerlijk zijn: dat ging niet van de ene op de andere dag. Tussen diagnose en nu zit twintig jaar. Twintig jaar van vallen en opstaan.
Maar ik kan inmiddels wél zeggen: het gaat goed. Echt goed. Ik ben gelukkig. Ik werk aan mijn derde boek en geef lezingen. Over lichter leven, lichter werken en alles daartussenin als niets vanzelfsprekend is. In deze serie columns neem ik je daar de komende tijd graag in mee.